home

contact  login
zoeken
zoeken

Sint-Martinuskerk 

De Sint-Martinuskerk is in 1983 beschermd als monument omwille van haar historisch en architectonisch belang als neo-gotisch gebouw met koor.
De meest recente restauratiewerken werden uitgevoerd tussen 1993 en 1996. De Sint-Martinuskerk werd voor de eerste keer vermeld in 1157 toen paus Adrianus IV de tienden van de kerk overdroeg aan het kapitel van O.L.Vrouw van Maastricht. De kerk kende verscheidene bouwcampagnes, meestal na branden. Tussen 1846 en 1852 kreeg de Sint-Martinuskerk het huidige neogotisch uitzicht, doch niet helemaal, want het eigenaardige aan deze kerk zijn de tentvormige mansardedaken boven de dwarsbeuken die aan classicistische kasteeltorens doen denken. De huidige plattegrond beschrijft een driebeukige kruiskerk met een ingebouwde west-toren, een schip van vijf traveeën, een transept van een travee met aangebouwde kapel tegen de noord-transeptarm, een koor van een rechte travee met driezijdige sluiting en een zuidsacristie. De laatgotische noorderdwarsbeuk en de O.L.V.-kapel zijn in de 16de eeuw blijkbaar de aanzet geweest voor een geplande prachtige kerk. De plint is in ijzerzandsteen. Hierboven loopt een geprofileerde band in mergel. De verdere bouw is in baksteen met spekbanden in mergel. Datzelfde gesteente vormt ook de verticale hoekbanden van de steunberen. Deze steunberen hebben verdiepte voorvlakken bekroond door drielobben.
Typisch voor die periode is het brede venster met rondboog en met een oosterse ogiefspits, waarop een kruisbloem staat. De boog draagt hogels (gestileerde koolplanten). De druiplijst loopt aan weerszijden van de boog verder. In het bovendeel van het venster bevindt zich mooi maaswerk. In twee cirkels kan je het laatgotisch vismotief opmerken. Per cirkel staan de visblazen mooi geschikt en lijken zij rond te tollen als de spaken van een zonnerad. Waarschijnlijk nog ouder is het benedendeel van de absis of afsluiting van het koor, die gebouwd is op drie zijden van een achthoek en oud is tot en met de gemodelleerde randbakstenen van de vensters. De kerk werd in 1940 door zes obussen geraakt, en nog tijdens de oorlog hersteld.
 

Het altaar van de Witte Lieve Heer

Merkwaardig en kostbaar altaarstuk in de linkerbeuk van de Sint-Martinuskerk van Herk-de-Stad. Het altaar, deels in marmer, deels in pleisterwerk, werd in 1610 in Antwerpen gebouw door de gebroeders Hans en Robrecht Collijns de Nole. Het kostte 8200 gulden. Zo’n 140 jaar sierde het één van de kapellen van de Onze-Lieve-Vrouwkathedraal in Antwerpen. De paters bogaarden (beggaerden) uit Diest kochten het altaar op 22 mei 1751 voor een bedrag van 400 gulden. Van dit jaar dateert ook het Teutoons kruis dat in het altaar werd gegraveerd[1], de goede relatie tussen de Diestse bogaarden en de Duitse Orde in Bekkevoort tonend.                                                                                                                                                  Ofschoon hoofdaltaar, verkocht  prior Francis ‘T Santels in 1766 het voor 380 gulden, betaald in 4 delen aan het Broederschap van 't Allerheiligste Sacrament van Maastricht[2] voor de parochiegemeenschap van Herk-de-Stad[3]. Daar bovenop kwamen de kosten van vervoer per schip via de Demer en de Herk van Diest tot hier maar ook uit- en invoerrechten[4]. De overige betalingen werden gedaan door de Broederschap van Herk-de-Stad.

Het renaissance altaar werd hier opgericht in de kapel van het Broederschap van het H. Sacrament [5]. Extra kosten waren het betalen van 4 gulden aan Mathijs om het voetstuk te metsen en 94 gulden aan Cappeler voor het "marbriseren[6]" van de delen die niet uit marmersteen bestonden. Zijn naam vindt men trouwens terug op het altaar rechts: Jos Cappeler 1769.

Verder werden er nog eens 9 gulden 18 stuivers en 2 oorden aan schrijnwerker Lambremont betaald voor het vervaardigen der treden. Hij voegde in de trede de witte steen toe met de letters S.P.Q.H. (Senatus populusque Hercensis = de gemeenteraad en het volk van Herk). Het jaartal 1766 dat je in de witte steen ook ziet, verwijst naar het jaar dat het altaar hier geplaatst werd.

 

Het altaar "Den Witten Lieven Heer" stelt de verrezen Christus voor met aan zijn rechterzijde Mozes -het hoofd doet nogal gemakkelijk denken aan de Mozes van Michelangelo - met de twee stenen tafelen. Aan zijn linkerzijde staat A(a)ron, de broer van Mozes en de eerste hogepriester van de Israëlieten. Hij is de aartsvader van alle priesters in de RK Kerk. Daarom zien we in zijn linkerhand de karaf met wijn en in de rechterhand een brood: de offergaven.

4 pijlers vanaf het altaar, dat de vorm van een tombe heeft, ondersteunen een timpaan met een vijfhoekig tabernakel. Op twee vlakken ervan zien we een verguld reliëf van een kelk en een ciborie. De top wordt bekroond met een pelikaan, het symbool van opofferende moederliefde. Twee engelen links en rechts op de uiteinden van de timpaan bewaken het tabernakel. Alle zijn zinnebeelden van het heilig sacrament.

 

Bronnen: zie voetnoten, Archief Jos Leemans

Bewerking: André Smeets

Foto’s: Jos Leemans

 

[1] Aantekeningen van  E.H.Lamotte gemaakt uit een register geschreven door E.H. Coninx

[2] Rijksarchief Maastricht, De parochiekerk Sint-Martinus wordt voor het eerst vermeld in 1157 wanneer Adrianus IV de tienden van de kerk overdraagt aan het kapittel van Onze-Lieve-Vrouw van Maastricht. In 1476 wordt de kerk door hetzelfde kapittel ingelijfd.

[3] Silverijser - Bijdrage tot de geschiedenis der stad Herck  Achter de muren van het Diestse bogaarden klooster 2012 Diestse Cronycke 21,

[4] Uit de aantekeningen blijkt dat er geld diende betaald te worden in het comptoir tot Diest en het comptoir tot Herk. Een comptoir is een tolhuis. In deze periode moesten niet alleen tolrechten betaald worden om goederen van het ene land naar het andere in of uit te voeren, maar ook van de ene stad naar de andere. Diest lag in het Hertogdom Brabant en was dus buitenland.

[5] Kunst & Oudheden in Limburg nr. 25

[6] Marbriseren is het beschilderen van een oppervlakte waardoor het er uitziet als marmer. Goed gedaan vond men dit in bepaalde periodes een grote kunst zodat men zelfs echt marmer overschilderde zodat het ‘als marmer uitzag’.