home

contact  login
zoeken
zoeken

Herk Centrum 

Herk kwam tot stand aan de rivier de Herk. De oudste vermelding van de nederzetting  midden 11de eeuw onder de naam Harke, vind je in de kroniek van de abdij van Sint-Truiden.  We leefden toen onder het gezag van de graven van Loon maar lagen vlak aan de grens met het hertogdom Brabant want Halen was Brabants.

Ca. 1300 was Herk een klein  handelscentrum, gelegen aan de grote weg van Diest naar Hasselt en Maastricht, een afsplitsing van de handelsweg Brugge-Keulen. Toen verwierf Herk van de graven van Loon het Luiks stadsrecht want het stadje had in de 13de-14de eeuw toch wel aanzien door zijn lakenhandel.  We hadden dan twee schepenbanken: de binnenbank voor de “vrijheid”, zijnde het gebied binnen de muren. Zij sprak Luiks recht en men kon in beroep gaan tegen haar vonnissen in de stedelijke schepenbank van Luik. Voor de vijf wagens was er de buitenbank, die het Loons recht hanteerde en waartegen men in beroep moest bij de buitenbank van Bilzen. De vijf wagens  hadden ieder hun eigen financieel beheer en hun eigen wagenmeesters. Het waren Corpt [later Donk], Diepenpoel-Terbermen, Halbeek [later Oppum], Schakkebroek en Wijer. Het stadje droeg toen en tot in de 18de eeuw  de naam Wuestherck.

Als strategisch belangrijke plaats in Loon werd de vrijheid Herk  reeds in de 14de eeuw versterkt door grachten en muren en men kon via drie poorten toegang krijgen: de Hasseltse, Diestse en Sint-Truidense poort. De markt was het hart van de stad en daar lagen de lakenhal, het korenhuis en het vleeshuis, die een belangrijke rol speelden in de stedelijke economie. Het marktplein werd verder  beheerst door kerk en stadhuis en langs de wallen lagen de blekerijen.

De zuidelijke buur van Loon was het prinsbisdom Luik, dat in 1366  Loon kon inpalmen. In 1386 werd Wuestherck onder prinsbisschop Arnold van Hoorn in zijn juridisch statuut van vrijheid met Luiks recht bevestigd. Het was onder deze prinsbisschop en onder zijn opvolger dat in Herk munten werden geslagen.

Het oudst bekende reglement voor het stadje is dat van 1414. Daaruit blijkt dat het bestuur in handen was van schout en schepenen, die zich moesten laten bijstaan door enkele raadsleden. Economisch ging het sinds de 15de eeuw minder goed door het verval van de lakenhandel. Oorspronkelijk hadden we vijf ambachten. Maar in 1646 werden die gereduceerd tot drie: het St-Arnoutsambacht voor de brouwers, de wijn-, mede-  en biertappers, de bakkers, beenhouwers, de vettewariërs en de kramers;  daarnaast het St-Anna-ambacht voor de scheerders, wol- en linnenwevers, huidevetters, schoenmakers, kleermakers, plakkers en dekkers;  ten slotte het belangrijkste ambacht, dat van St-Elooi, waarin vele beroepen zaten: smeden, slotenmakers, uurwerkmakers, ketellappers, messenmakers, chirurgijns, medicijnmeesters, barbiers, schrijnwerkers, wagenmakers, kuipers, stoeldraaiers, zeeldraaiers, metselaars enz … We kenden dan hoofdzakelijk huisnijverheid in het stedelijk gebied, landbouw en veeteelt in het omringend platteland.

Niet alleen economische achteruitgang maar ook politieke dreigingen in de vorm van doortrekkende, plunderende  buitenlandse troepen, bezegelden het lot van het Loons-Luikse Wuestherck. Daarbij kwamen de pest en herhaaldelijke zware branden zowel de bevolking als de infrastructuur van ons stadje aantasten.

Na de Franse revolutie werden we Limburgers en Belgen en noemde men ons Herk-de-Stad, een naam die vanuit Luik reeds sinds enkele eeuwen gebruikt was [Herck-la-Ville] om ons te onderscheiden van Sint-Lambrechts-Herk. We waren een plattelandsgemeente geworden waar de vroegere heerwagens Oppum, Diepenpoel, Terbermen en Schakkebroek aan de vroegere vrijheid verbonden bleven. Maar het verderaf gelegen Schakkebroek/Terbermen kreeg de naam gehucht. Donk en Wijer waren zelfstandige gemeenten geworden.

Herk-de-Stad werd kantonhoofdplaats, kreeg een vredegerecht, een postkantoor en een rijkswacht.

Hoogtepunten in onze verdere geschiedenis van de 19de eeuw waren de ontsluiting van ons stadje door aanleg van nieuwe wegen en verharding van bestaande wegen. Midden 19de eeuw zorgde de komst van de zusters ursulinen voor de verbetering van het lager onderwijs en de vestiging van een internationale kostschool.

In de 20ste eeuw ging Herk erop vooruit door de bouw van een kliniek door de zusters ursulinen en door de uitbouw van hun middelbare meisjesschool. In het spoor van de zusters werd vanuit het vroegere tramstation een middelbare school voor jongens op poten gezet. Ook het gemeenschapsonderwijs droeg zijn steentje bij zodat Herk-de-Stad als scholencentrum naam en faam verwierf.

Grote veranderingen kwamen er door de herstructurering van de Belgische gemeenten.  Zo kwam Donk in 1970 bij Herk-de-Stad en Berbroek bij Schulen. Bij een volgende stap in 1977 kregen we de samenvoeging van Schulen/Berbroek met Herk/Donk.

De nieuwe fusiegemeente Herk-de-Stad zou daardoor meer mogelijkheden krijgen op financieel vlak maar nog meer door het samenvoegen van alle sterke kanten van de deelgemeenten.

Foto: Sint-Truidense of Oppumse poort, zoals ze in 1615 werd heropgebouwd. In 1882 werd dit laatste restant van de Herkse muren afgebroken.