home

contact  login
zoeken
zoeken

Robrecht Van Haspengouw (rond 700-voor 764) 

Robrecht I van Haspengouw was een Frankische edelman. Zijn vader was Lambert II, zijn grootvader Chrodbert II. In veel bronnen wordt hij met zijn Franse naam genoemd: Hesbaye.  Robrecht wordt omstreeks 715 graaf van Haspengouw. Hij trouwt met Williswinda (ca. 715 - na 764), dochter van Adalhelm - een grootgrondbezitter in het Rijndal. In 741 is hij paltsgraaf en doet hij de schenking van Donk en grote omstreken aan de abdij van Sint-Truiden. Deze schenking werd opgenomen in het charter Robrecht van Haspengouw. Rond 750 wordt hij graaf van Rijngouw en Wormsgau. 

Hij was waarschijnlijk belast met het beheer van het Land van Haspengouw en had de heilige Eucherius (voormalig bisschop van Orléans, hij stierf in 742 en werd bijgezet naast het graf van de heilige Trudo) naar deze streek gehaald toen deze verbannen werd door Karel Martel. Bij zijn dood werden zijn lichaam en dat van zijn vrouw begraven bij het hoofdaltaar van de kerk,  niet ver van het graf van de heilige Trudo.

Een gouw is een territoriaal en institutioneel onderdeel eerst van een Gallo-Romeins later van een Germaans of Frankisch stamgebied. Er waren gouwen in wat we het West-Romeinse rijk zouden kunnen noemen: Duitsland, Oostenrijk, Zwitserland, België, Nederland, Luxemburg, Noord- en Oost-Frankrijk en Noord-Italië. In onze streek speelden gouwen een rol van de 4de  tot de 11de  eeuw. Toen het Frankische Rijk in de 7de  en 8ste  eeuw zijn gezag over de Nederlanden uitbreidde, vormden ze bestuurseenheden in het rijksverband onder vorm van gouwgraafschappen. Ze werden meestal begrensd door natuurlijke grenzen zoals rivieren, kusten of een duidelijk verschil in het landschap en werden bestuurd door een (gouw)graaf. Hij werd aangesteld door de keizer als diens vertegenwoordiger, maar bij overlijden of bij corruptie werd er door de keizer een nieuwe gouwgraaf aangesteld. Kaarten die je over deze gouwen vindt zijn meestal pas eeuwen later gemaakt, eerder als een reconstructie dan steunend op historische bewijzen. Gouwen veranderden ook in de loop van de eeuwen, werden door huwelijken samengevoegd of net weer gesplitst. Robrecht van Haspengouw moet tussen Maas en Kempen enig politiek gezag gehad hebben. Donk lag in een gebied met een reeks bevaarbare rivieren waar handel gedreven kon worden met het Scheldegebied en enkele honderden meters verwijderd van de Gete, de latere politieke grens tussen Brabant en Loon. Het was voor hem dan ook een goed verdedigbaar landgoed en de oprichting van een eigen kerk op het eigen goed getuigt van het belang van deze plaats. De plaats waar de kerk stond wordt in de oudste teksten “in insula Dunc” of “locum quendam  qui dicitur Dungo” genoemd.  In zijn stamboom komen langs moeders kant meer bekende namen voor: Karloman, Pepijn I van Landen, Begga van Landen, Pepijn van Herstal, Karel Martel, Pepijn de Korte en ook Karel de Grote.

Vanaf de tiende eeuw raakten gouwen in verval door de uitbreiding van de horigheid en waardoor het aantal vrije mannen afnam en de verbrokkeling van de gouwen in graafschappen toenam. De gouwnaam bleef evenwel nog lange tijd in gebruik voor sommige streken: Henegouwen, Haspengouw, Waasgouw (nu Land van Waas) enz…

(uit het boek Conflicten in Groot-Herk tijdens het ancien régime - Deel 1: Donk, de kerk in het Verdronken Broek – André Smeets)

Charter Robrecht Van Haspengouw (741) 

Robrecht Van Haspengouw schonk Donk aan de abdij van Sint-Truiden. De schenking werd opgenomen in een charter. Het was meteen ook de eerste historische melding van Donk (Dungo). De Latijnse tekst komt uit de Cartulaire de l’abbaye de Saint-Trond, 1.

Ille bene possidiet res in seculo, qui sibi de caducis comparat premia sempiterna. In Dei nomine, Robertus, comes, filius quondam Lantberti, donator, anno v° post defunctum Theuderici, regis, sub die VII post kalendas aprilis. Licet ut unusquisque arbitrium voluntatis, quatinus divina sic docet auctoritas, ut de terreno commertio pro fidei cultu licentia sit ad regna celestia pervenire, et quia nec fragilis sed lucubrosa presentalis intercessio temporis locum profuturum veniam non refraudat. Ideoque dono ac deputo, pro mercede et remedio anime mee, ad basilicam sancti Petri et sancti Trudonis, que est in villa Sarchinio constructa, ubi ipse sanctus Dei in corpore requiescere videtur, vel venerabilis Grimo, abbas, regulariter deservire videtur. Hoc est quod dono in pago Hasbaniense, in loco cognominantes quod dicitur Dungo, illam basilicam quam ego proprio labore edificavi in honore sancte Marie et sancti Petri, sancti Johannis, sancti Servatii, sancti Lantberti, et sub curione sancte Marie et sancti Petri et sancti Trudonis resistat. Tam ipse Dungus quam reliquas villas vel loca cognominantes de mea possessione ad jam dictum locum, videlicet Dungo, vel ipsa basilica pro meo testamento condonavi. Hoc sunt : Halen, Scafnis, Felepa et Mareolt. Ista loca suprascripta sunt in pago Hasbaniense et Masuarinse, cum casis, curtilis ibidem commanentibus, cum pratis, campis, silvis, pascuis, aquis aquarumque decursibus, mancipiis ibidem commanentibus, cum peculiare  eorum seu farinariis, peculium, presidium mobile et inmobile, vel quantumcumque in suprascriptis locis habere visus sum, cum ingressu et egressu seu  wardriscapis, vel cum omnibus adjacentiis, que ad jam dicta loca aspicere videntur, ad integrum ibidem dono; sic tamen ut a die presenti memorata basilica sancte Marie et sancti Petri et sancti Trudonis hoc habeat, tencat atque possideat et suis custodibus ibidem deservientibus proficiat in augmentis. Si quis vero, quod futurum esse non credo, ego ipse aut quislibet, seu ulla opposita persona, qui contra hanc paginulam testamenti ullo umquam tempore venire temptaverit et a me ipse defensatum non fuerit, in primis talis iram Dei celestis incurrat et a liminibus ipsius vel pluribus sanctis efficiatur extraneus. Insuper nichilominus factum meum posset irrumpere, sed presens paginula testamenti firma et stabilis permaneat, et nec sic quod repetit vindicare valeat, stipulatione subnixa. Actum in villa Curtricias publice a supra dicto Roberto, qui hoc testamentum firmare rogavit, scripsit et notavit die quo supra. Signum Fuloberti. Signum Ansuini. Signum Vinneberti. Signum Baltheri.

De vertaling van de akte is van Jef Ector.

Iemand gebruikt tijdens zijn leven zijn bezit op de juiste manier, als hij zich met zijn vergankelijke goederen een eeuwige beloning verwerft. Ik, graaf Robrecht, zoon van wijlen Lambert, heb na ernstig overleg besloten iets van mijn geërfd bezit aan de heiligen te schenken, om door hun verdiensten en voorspraak, voor Gods aanschijn voor mijn zonden vergiffenis te bekomen.
Daarom maak ik in de naam van God aan mijn tijdgenoten en nakomelingen bekend dat ik, Robrecht, in het vijfde jaar na de dood van Theodorik, op 8 april, met een wettelijke schenking een gedeelte van mijn bezit gaf en toewees aan de kerk van de heilige Trudo, die in Sarchinium gebouwd is en waar, zoals men algemeen aanneemt, het lichaam van Gods heilige rust. De eerwaarde abt Grimo staat volgens de kloosterregel aan het hoofd van die kerk.
Aan de genoemde heilige heb ik een plaats in Hasbanië (Haspengouw) geschonken, die Dungo (Donk) genoemd wordt, met de daar gelegen kerk die ikzelf met eigen middelen gebouwd heb ter ere van de heilige Maria, de heilige Petrus, de heilige Johannes, de heilige Servatius en de heilige Lambertus. En daarbij schonk ik nog andere dorpen en plaatsen uit mijn bezit, namelijk Halen, Schaffen, Velpen en Meerhout. Deze plaatsen zijn gelegen in de streek van Hasbanië en Masuarië.
Al die plaatsen heb ik weggeschonken, samen met de huizen en hofsteden die er zich bevinden, met de weiden, de velden, de bossen, de graslanden, de waterplassen en waterlopen, en samen met het bezit en vermogen die ermee verbonden zijn, zowel het roerend als onroerend goed, en alles wat er in de vermelde plaatsen als mijn eigendom beschouwd wordt, met vrij recht van er binnen en buiten te gaan, inclusief de onbebouwde gronden en alles wat met de vermelde plaatsen samenhangt en ermee verbonden lijkt.
Dat heb ik volledig geschonken, zo dat in de toekomst de vermelde kerk van de heilige Maria, de heilige Petrus en de heilige Trudo dit bezit mag hebben en behouden, en bij uitbreiding gebruik kan maken van het personeel dat er in dienst is. 
Indien echter, wat ik nog niet zie gebeuren, ikzelf of om het even wie of enige dwarsliggende instantie zich ooit probeert te verzetten tegen deze testamentaire bepaling, moge hij vooreerst op de woede van de almachtige God stuiten en van alle heiligdommen uitgesloten en gebannen worden. Hopelijk slaagt hij er niet in mijn beslissing te ontkrachten om zijn plan te realiseren, en blijft het onderhavige charter geldig en ongewijzigd met de vermelde bepalingen.
Officieel opgemaakt op het landgoed van Kortessem door de vermelde Robrecht, die gevraagd heeft dat dit testament bekrachtigd en opgetekend werd op de dag die hoger vermeld staat. Getekend door Folbertus, Hubertus, Ansuvinus, Winebertus en Baltherus.
Ik, Gunfridus, heb het geschreven en ondertekend.

(uit het boek Conflicten in Groot-Herk  tijdens het ancien régime -  Deel 1 : Donk, de kerk in het Verdronken Broek – André Smeets)