home

contact  login
zoeken
zoeken

Herkse soorten 

Met de campagne “Gemeenten adopteren Limburgse soorten” wilde de provincie Limburg – samen met de Limburgse regionale landschappen – de Limburgse gemeenten een impuls geven om via hun gemeentelijk soortgericht beleid de biodiversiteit op hun grondgebied te behouden en waar mogelijk te versterken.

Alle Limburgse gemeenten adopteerden een typische plant- of diersoort en ondertekenden  het Countdown 2010-charter. Zij schaarden zich allen achter de Europese oproep om de handen in elkaar te slaan om het verlies aan biodiversiteit te stoppen.

In het kader van deze campagne koos Herk-de-Stad voor een mysterieuze modderliefhebber: de Grote modderkruiper.

Daarnaast verdienen nog een aantal andere soorten extra aandacht omdat Herk-de-Stad er een belangrijk leefgebied voor is: de Kruipend Moerasscherm, de Moerassprinkhaan, de IJsvogel, de Wulp, de Kamsalamander en de Huiszwaluw.

Kruipend moerasscherm 

Kruipend moerasscherm (Apium repens) is een overblijvende plant uit de schermbloemenfamilie en staat op de Vlaamse Rode Lijst als met uitsterven bedreigd. De soort komt van nature voor in Europa en Noordwest-Afrika.

De plant heeft dunne, kruipende stengels, die op de knopen wortelen en wordt 10-30 cm hoog. De gezaagde of gelobde blaadjesvan de enkel geveerde, 3 tot 10 cm lange bladeren zijn eirond tot rondachtig en 2 tot 10 mm lang. De bladschede is klein en bijna niet vliezig gerand.

Kruipend moerasscherm bloeit van juni tot in oktober met witte bloempjes, die gerangschikt zijn in lang gesteelde schermen. De schermen bestaan uit 3-6 stralen. Er zijn drie tot zeven omwindselbladen en vijf of zes omwindselblaadjes. De vrucht is een ongeveer 1 mm lang, op het vooraanzicht ronde, tweedelige splitvrucht met slanke, weinig uitstekende ribben.

De plant komt voor op in de winter overstromende weilanden en langs kreken en beken. Ook komt de plant voor in duinvalleien.  In Herk-de-Stad doet het Kruipend moerasscherm het goed in de Vroente in Donk.

Grote Modderkruiper 

De Grote Modderkruiper is een langgerekte spoelvormige vis met een donkerbruine grondkleur, een geeloranje buik en zwarte lengtestrepen. De vis vlucht bij gevaar in de modder waardoor het dier zelden wordt waargenomen.

De Grote modderkruiper kwam vroeger talrijk voor in het Schulensbroek en omgeving maar is momenteel met uitsterven bedreigd op Europese schaal. Toch engageert Herk-de-Stad zich met de adoptie van de Grote modderkruiper om de leefomstandigheden en het biotoop voor deze vis zo goed mogelijk te herstellen. Dit wil zeggen: zorgen voor voldoende propere, natuurlijke en rustig stromende sloten met een flinke propere modderlaag. 

In onderstaand actieplan lees je alles over de Grote Moddekruiper en hoe Herk-de-Stad het diertje kan behouden en beschermen.

Huiszwaluw 

Huiszwaluwen broeden namelijk het liefst onder dakgoten van huizen en boerderijen. Ze ‘metselen’ hun komvormige nestjes zelf met modder, stro en pluimen. De aantallen zijn de laatste jaren zo sterk achteruitgegaan dat de Huiszwaluw is opgenomen in de Rode Lijst van Vlaanderen als zijnde ‘kwetsbaar’.

De Huiszwaluw jaagt al vliegend op insecten in een spectaculaire vlucht, met snelle, sierlijke wendingen. Een Huiszwaluwenpaar brengt per jaar twee (soms drie) broedsels groot. Per broedsel worden vier tot zes glanzend witte eitjes gelegd. Na veertien dagen broeden worden de jongen geboren. Ze worden drie weken op het nest gevoederd.

Huiszwaluwen zijn zomergasten. Jaar na jaar keren ze, vanaf april tot half mei, terug naar het plekje waar ze geboren werden om zelf te nestelen. De winter brengen ze door in Afrika, ten zuiden van de Sahara.

Het favoriete leefgebied van de Huiszwaluw wordt gevormd door dorpen en stadsranden. Of een gebied geschikt is als broedgebied wordt bepaald door de aanwezigheid van kleine, vliegende insecten, nestbouwmateriaal, en nestplaatsen. Open water, braakland, weiden en akkers dragen bij aan de geschiktheid van een broedgebied. Huiszwaluwen bouwen hun nesten aan de buitenkant van gebouwen, vaak onder een richel of dakgoot. Als bouwmateriaal gebruiken ze modder en klei, die ze verzamelen langs randen van plassen en in de buurt van rivieren.

Moerassprinkhaan 

De Moerassprinkhaan (Stethophyma grossum) is de grootste veldsprinkhaan van België. De vrouwtjes zijn groter dan de mannetjes en kleuren in de nazomer prachtig paars-roze. Het is een typische soort voor waardevolle beekdalen.De moerassprinkhaan is de bontst gekleurde soort die in België in het wild voorkomt. De kleur is groengeel tot geel met duidelijk helderrode achterheupen en een gele achterdij. Op de achterdijen zijn rijen stekeltjes aanwezig die zwart van kleur zijn en daardoor duidelijk afsteken. De lichtgeel gekleurde randen van het halsschild zijn duidelijk naar elkaar toe gebogen. Zowel mannetjes als vrouwtjes zijn langgevleugeld waarbij de vleugelpunt voorbij de achterlijfspunt reikt. Soms komen rode vlekken voor op kop, lichaam en poten waarbij ook de antennes roodachtig kunnen zijn.

De moerassprinkhaan is als volwassen insect te zien van juni tot september en is vooral actief tussen negen uur in de ochtend en zeven uur in de avond. De sprinkhaan maakt een hoog en metallisch tikkend geluid wat sterk doet denken aan een druppelende kraan op het aanrecht.

IJsvogel

De IJsvogel is één van de mooiste inheemse vogels. Door zijn felblauwe en roestbruine kleuren wordt de IJsvogel soms wel vergeleken met een vliegend juweeltje. Ook de levenswijze van de IJsvogel is intrigerend, hij is aan water gebonden maar is geen watervogel. Hij maakt geen traditioneel nest in een boom, maar graaft zelf een nestgang uit in een steile oeverwand.

De IJsvogel duikt vanaf een uitkijkpost in het water om vis en allerlei waterinsecten te bemachtigen. Soms bidt hij als een torenvalk boven het water of duikt hij laag over het water vliegend meteen uit de vlucht. Het hoofdmenu bestaat uit kleine visjes tot ongeveer tien centimeter lang (stekelbaars, bermpje, blei, voorntjes), aangevuld met allerlei larven, waterkevers, kokerjuffers, kleine kikkers, kikkervisjes en zoetwatergarnalen, maar ook volwassen libellen of schietmotten die in de vlucht gevangen worden. Tegenwoordig voedt de IJsvogel zich ook vaak met blauwbandgrondel, een exoot die het de laatste tijd goed doet in onze contreien.

Omdat de IJsvogel op het zicht jaagt, heeft hij helder, visrijk, stilstaand of niet te snel stromend water nodig. Verder zijn steile wanden nodig waarin nestholtes uitgegraven kunnen worden. De steilwand moet voldoende hoog (minstens 50 cm) en breed (minstens 2 m) zijn om door de vogels vlot geaccepteerd te worden. Het materiaal waaruit de wand is opgebouwd mag niet te los, te vast of te grof zijn. Rondom de broedplaats is ook een zekere mate van rust vereist.

Wulp

De Wulp is een weidevogel, maar hij maakt zijn nest ook op vochtige heide. Voor zijn voedsel zoekt hij natte graslanden op. De Wulp kan ook een belangrijke brugfunctie vervullen tussen natuur en landbouw. Voor de bescherming van de vogel zullen deze partijen zeker moeten samenwerken. Wulpen zijn erg plaatstrouwe vogels en komen vaak jaren na elkaar op dezelfde plaats hun nesten maken. Maar nesten maken betekent nog niet dat er jongen groot komen. Allerhande ‘gevaren’ loeren om de hoek: vertrappeling door koeien bij een hoge veebezetting, verloren gaan van de nesten met eieren of jongen bij het maaien of bewerken van het perceel, verstoring door recreatie, enzoverder. Het gros van de Wulpen broedt in graslanden.

Kamsalamander

De Kamsalamander is een intrigerende ‘waterdraak’. Het mannetje van deze amfibiesoort tooit zich in de paartijd met een prachtige kam. Maar zijn verschijning wordt steeds schaarser. Het aantal Kamsalamanders is zodanig afgenomen dat hij nu als ‘zeldzaam’ opgenomen is op de Vlaamse Rode Lijst. Ook internationaal wordt de Kamsalamander erkend als een te beschermen soort. 

Het opvallendste kenmerk bij mannetjes in de paartijd is hun getande, hoge rugkam. Vandaar ook de naam Kamsalamander. De staartkam is niet getand en gescheiden van de rugkam. Op de zijkant van de staart hebben de mannetjes in de paartijd een lichte streep. De vrouwtjes hebben geen rugkam, maar een ondiepe groeve die over de lengte van de rug loopt. De bovenkant van het lichaam is donker van kleur (grijsblauw), met zwarte vlekken. De buik is geel tot oranje gekleurd, met een patroon van zwarte vlekken. Dit vlekkenpatroon is uniek per individu.  

Kamsalamanders blijven, net zoals andere amfibieën, niet het hele jaar op dezelfde plek. Ze hebben een zomer-, een overwinterings- en een voortplantingsbiotoop. Als voortplantingsbiotoop verkiezen Kamsalamanders gebieden waar meerdere poelen dicht bij elkaar liggen. Omdat Kamsalamanders zich laat op het seizoen voortplanten, zijn de larven en juvenielen tot ver in de zomer aanwezig in het voortplantingswater. Het is daarom belangrijk dat de poel in deze periode niet droogvalt.

Kamsalamanders trekken in de zomer niet ver weg van hun paaiplaats, er moet dus een geschikt zomerbiotoop aanwezig zijn binnen een straal van enkele honderden meters. Bovendien mogen er geen noemenswaardige hindernissen, zoals een drukke weg, tussen beide gebieden liggen.

In het najaar trekken de Kamsalamanders naar hun overwinteringsbiotoop. Sommige salamanders overwinteren in het water of in de modderlaag van een poel, de meeste zoeken een overwinteringsplek op het land. Dit zijn vorstvrije plaatsen zoals steenhopen, holen in de grond, composthopen, holtes onder liggende boomstammen, onder een isolerende laag bladeren, …